Home Landelijke radio Slechte ontvangst Radio 1 niet te zien in de luistercijfers

Slechte ontvangst Radio 1 niet te zien in de luistercijfers

De slechte ontvangst van Radio 1 in de randen van het verzorgingsgebied zijn niet terug te zien in de laatste luistercijfers over mei en juni. In deze laatste maand veranderde de publieke nieuwszender van frequentie. Hierdoor werd de ontvangst in steden als Arnhem en Rotterdam slechter. Hiervoor klaagde de omroep al bij het ministerie van Economische Zaken.

Uit de luistercijfers van Bureau Intomart is niet af te zien dat de luisteraars zijn afgehaakt. In de regio Arnhem / Apeldoorn werd de afgelopen periode een marktaandeel van 11,7 procent gemeten. De periode daarvoor was dat 12 procent. Vorig jaar in dezelfde periode was dat nog 8 procent.

Ook in Rotterdam en omgeving lijkt weinig veranderd. Het marktaandeel was daar in mei en juni 10,8 procent voor Radio 1. Vorig jaar in dezelfde periode was dat aandeel precies hetzelfde. Woordvoerder Camiel Camps van Bureau Intomart merkt ook weinig van de problemen. “Er zijn geen opmerkingen in de dagboeken, die onze respondenten bijhouden, geplaatst. Dus ook geen klachten over slechte ontvangst. Nou is het natuurlijk zo dat veel mensen ook thuis via de kabel naar Radio 1 luisteren. En we hebben in de afgelopen reportage maar de helft van de nieuwe frequentieverdeling gehad. Helaas is deze onderzoeksmethode niet vrij van zenderverwarring, of mensen de zender waarna ze luisteren dus wel herkennen. We kunnen niet kijken wat mensen invullen in hun dagboek als beluisterde zender en dat controleren met de werkelijke zender. Dat probleem is al een tijdje bekend”, aldus Camps.

Hetzelfde probleem zou voor Noordzee FM kunnen gelden. Horen mensen wel dat ze naar Noordzee luisteren en niet meer naar Sky Radio op 100.7 FM? “Er is denk ik wel voldoende verschil in de beide zenders. Op de een zitten dj’s en bij de andere niet. Maar zeker weten doen we het niet. We hebben mensen ook niet gewezen op de zenderwisselingen. Dat zou ze kunnen be├»nvloeden. Maar misschien weten we de volgende raportage meer.”