Home Landelijke radio Kink FM boos op de Volkskrant en VPRO

Kink FM boos op de Volkskrant en VPRO

Kink FM is boos op de Volkskrant en de VPRO. Afgelopen donderdag schreef de krant dat Last.fm de oorzaak was om de VPRO-programmering op 3FM om te gooien. ‘Popradio niet langer de bron van ‘nieuwe’ muziek’, schreef de Volkskrant. Volgens Kink FM had een uitspraak van Gerard Walhof, groepsredacteur van de VPRO, geen reden mogen zijn om met “dit uitermate subjectieve stukje” te komen, volgens Kink FM.

“Dat de VPRO toevallig net een excuus moet formuleren voor het afschaffen van hun doelgroepenprogramma’s, en daarvoor (leuk gevonden) het succes van Last.fm aanvoert, moeten ze zelf weten. Maar het had voor De Volkskrant geen reden mogen zijn om deze ‘vondst’ als waarheid op de voorpagina te presenteren”, stelt Kink FM. “Niet alleen kan iedereen op z’n klompen aanvoelen dat het hier een onjuiste redenering betreft ‘omdat Last.fm onder onze kennissen goed scoort, kunnen wij beter minder avontuurlijk gaan programmeren’ is geen algemeen geldende gevolgtrekking, maar het bronnenonderzoek dat er aan ten grondslag ligt is bovendien onder de maat.”

Kink FM haalt zo hard uit omdat het vindt dat het radiostation wel onderscheidend bezig is. “Wij zijn het uiteraard volstrekt niet eens met deze op z’n minst van enig nepotisme getuigende flauwekul, en protesteerden met een ingezonden brief die vandaag door de krant werd geweigerd.”

In de brief staat: ‘Sinds de explosieve groei van sites als Last.fm is het samenstellen van radioprogramma¬ís ook voor ons behoorlijk veranderd. Programmamakers zijn geen monopolisten meer in het ontdekken van nieuwe muziek: de liefhebber zelf heeft meer en meer die rol naar zich toegetrokken. Een mooie ontwikkeling, die ons zeker noopt om onze eigen positie als smaakbepaler grondig te herzien. Anno 2008 bepaalt de luisteraar wat hij wil horen. De populariteit van bijvoorbeeld Last.fm, maar ook de talloze e-mails met tips van luisteraars en de overige toenemende interactie met onze doelgroep staat inmiddels aan de basis van de samenstelling van onze muziekprogrammering. Internet zorgt zo juist voor een verbetering en verscherping van het muzikale aanbod.

Uit die respons blijkt voor ons een enorme vraag van de luisteraar naar meer avontuurlijke muziek op de Nederlandse radio. Immers, waarom zou je wel kunnen genieten van de wat scherpere muziek op internet, maar zou de radio zich daarentegen ineens op behoudender klanken moeten gaan concentreren? Die logica ontgaat ons.

De meetbare interesse in kwaliteitsmuziek moet zich volgens ons vertalen naar de media. Het is prettig om op internet nieuwe muziek te kunnen ontdekken, maar dat kan net zo goed op een festival, op televisie, in een krant of op de radio. Op dat laatste medium kun je nieuwe muziek niet alleen laten horen, je kunt er ook nog iets bij vertellen, de muziek duiden, en door je te richten op vorm en inhoud, luisteraars met nieuwe muziek laten kennismaken.’